woensdag 25 juni 2008

Hamer en Sikkel

Op de burelen van de Gil Blas was de sfeer al een tijdje
niet meer te harden. Ik had schoon genoeg van al die verhalen.
Vaak op zich al vervelend, maar daar konden ze die gerust
drie keer vertellen. En er dan nog smakelijk om lachen.
Nou ik niet. Zodoende had ik een plannetje uitgedacht.
Nee, een onderzoeksvoorstel, een reportagesuggestie gedaan.
Ik zou een half jaar vrijaf nemen (dacht erbij: of langer...)
en me aanmelden bij Studie en Creativiteit. Gedurende die
tijd geen copy indienen, maar nadien met een aantal smeuïge,
verantwoorde stukken terugkomen (dacht hierbij: zo niet dan
ontslag nemen bij dat kloteblad.)


Grotere kaart weergeven

Dus op een dag nam ik de metro naar Ménilmontant, liep een
zijstraat van de Rue Oberkampf in, en zag al meteen het gebouw
waar het moest zijn. Jaren veertig gebouw, tenminste nog wat
pogingen gedaan om met uitspringende bakstenen te metselen.
Vermoedelijk voormalig vakbondsgebouw. Nou had ik me uit het
aanbod van cursussen al wel een beetje een beeld gevormd.
Maar daarbij had ik me misschien op het verkeerde been laten
zetten door: beeldhouwen, bridge, tuinieren en meditatie.
Na de portier gepasseerd te zijn opende ik een paar klapdeuren,
en stond in... ja wat? Een mengeling van een bar en een kantine.
Het publiek bestond uit drop-outs en gepensioneerden, zo te zien.
Ik vond het niet te vroeg voor een pastis en bleef wat tegen
de bar hangen. Nu moest ik vergeten dat ik een journalist was.
Niet meteen de barman gaan uitvragen. Dan maar wat over het
weer... of beter... ik keek door het raam op straat en maakte
hem opmerkzaam: moet je zien... Hoezo? zei de snor achter
de bar. Kijk daar waait zo'n tumbleweed, zei ik.
Och, die paar takken, vond hij.



Kom je voor een bepaalde cursus? Nee... misschien...
Ik vroeg of die per kwartaal of zo begonnen, of dat je
ook ondertussen kon gaan meedoen. Ik zou het niet weten...
dat zal van de cursusleider afhangen, zei de barman.
Hij zette de lokale radio wat harder om het gebonk uit
de belendende ruimte wat te overstemmen. Is hiernaast
ook een cursus? wilde ik weten. Timmeren, fietsherstellen...
hij keek een keer op het rooster... tuinieren... en vrij
tafeltennis. In één ruimte?, vroeg ik me af. Hij deed een deur
open en liet me naar binnen kijken. Ja... maar de tuiniers
gaan zo natuurlijk naar buiten. Hij wees naar een miniem
binnenplaatsje en loodste me weer naar de bar. Ik wilde nog
een pastis... en heb je ook wat te eten?
Een croque-monsieur... dan maar? stelde hij voor.



Toen het pauze was, kwamen de timmerlui en de fietsenmakers
binnen. Een paar haalden een fles wijn, hardgekookte eieren,
knoflookworst en appels uit hun tassen. Die hadden genoeg
croque-monsieurs geproefd. Door de klapdeuren kwam nog een
groep binnen. De cursus Spaans, dat kon je zo horen.
Busco un disco... ¿Hay quantas paradas en la calle de Madrid?
oefenden ze nog na. Er ontstond een wat meer gemêleerd
gezelschap. Meer vrouwen dan mannen. Een paar Algerijnen,
die hoorden bij de tafeltennissers. Ik was aan de leestafel
gaan zitten en bladerde wat door La Parisienne. De Gil Blas
lag er trouwens ook. Een oudere man met een grijs ringbaardje
zat ook aan de leestafel. Duidelijk om een praatje verlegen.
Ik vroeg hem of hij schaak speelde.



Een beetje... zei hij. In de opening raakte ik al een pion kwijt,
maar kreeg daardoor wat meer ruimte, die ik helaas niet erg goed
benutte, want na wat afruilen bleef ik een loper achter.
Nog een pastis gaf me de luciditeit om remise door eeuwig schaak
te forceren. De sik keek tamelijk zuur. Ik bood hem een drankje
aan, maar dat sloeg hij af. De cursusleider van het timmeren,
die had staan meekijken, wilde nog een paar stukken terugzetten.
Ik wilde niet analyseren, maar misschien wilde hij een partijtje
spelen? Nee, hij was doodop... Iets drinken dan? Ja, hij lustte
wel een pastis. Na wat inleidend gepraat kon de journalist in me
het toch weer niet laten. Wat verdien je hier eigenlijk mee?
Honderd franc per uur. Zoveel? Hij bleek verder geen erg
spraakzaam type.



Ik kon beter bij die sjekkies draaiende fietsenmakers gaan zitten.
Die twee zaten inmiddels aan het bier. Ik vroeg wie van hun de
cursus gaf. Dat deden ze samen. Ik stelde me even voor: Guy...
De kleinste van de twee, kalend, met een Jean Luc Godard bril
getooid, zei: Jules... Hij droeg een spijkerbroek, een besmeurd
legerjack. Uit een van de zakken stak een bahco. De ander...
Laurent... groter, breder, blond... in een soulbroek en
luchtmachthemd liet het sjekkie in zijn mond hangen tot hij
bijna zijn lippen brandde. Is dat vermoeiend zo'n cursus?,
wilde ik weten. Welnee, zei Laurent, de helft komt na twee of
drie weken niet meer opdagen en de rest doet erg hun best.
Wou je soms nog meedoen met onze cursus?, vroeg Jules.



Nou nee, ik zat eerder aan Spaans te denken, flapte ik er uit
(er zaten een paar leuke vrouwen bij). Of misschien zou ik
zelf een cursus willen geven. Wat voor een?... vroeg Laurent.
Shit, waarom had ik dat nou gezegd? Snel iets bedacht...
misschien iets in de muziek... Ik probeerde al een jaar wat
saxofoon te spelen. Volgens Jules moest ik dan bij Aline zijn.
Zij gaat over het aanbod aan cursussen. Die vrouw met dat
gebeeldhouwde hoofd... bij de tuiniers daar... dat is Aline.
Hé Aline, kom eens hier... Guy hier... Maar ze kwam niet.
Aan de ene kant jammer, want ze mocht er werkelijk wezen,
anderzijds gaf me dat meer tijd om eens over dat muziekplan
na te denken. Natuurlijk bleef ik nog een tijd hangen.
Dit leek me geen onverdienstelijk begin.



Een paar dagen later, terwijl ik wat op mijn saxofoon
oefende, kreeg ik een beter idee. Ik mijmerde... biologisch,
kleinschalige landbouw en veeteelt... zoiets. Echt buiten
op het land. Ik maakte een afspraak met de administrateur
en Aline. Maar nee, ze hielden het liever bij tuinieren.
Het plan was te vaag en belangrijker: het zou boven hun
budget gaan. Ik was echter niet voor één gat te vangen.
Aan de leestafel had ik gezien dat het instituut ook een
eigen blad uitgaf. Eens contact opnemen met een redacteur
daarvan. Ik moet zelf zeggen dat ik zo'n aardig twee-koloms
stukje uit mijn pen liet vloeien, waarin ik belangstellenden
opriep voor een bijeenkomst, dat de “persgroep” zoals de
redactie zich noemde, het zou plaatsen. En natuurlijk zou
ik in hun gebouw... van faciliteiten gebruik kunnen maken...
alleen geen financiën. Ik was zó in mijn nopjes, dat ik het
stuk ook naar La Parisienne stuurde. Voor de eerste bijeenkomst
had ik een bovenkamer besproken. Ik had nog zo'n twee weken
om een beetje een samenhangend verhaal te verzinnen. Tegen de
tijd dat ik me een beetje zorgen begon te maken, werd het
stukje, tegen mijn verwachting, gepubliceerd in La Parisienne.



Op de dag zelf moest ik om een zaaltje gaan vragen...
de kamer was te klein. Er waren meer dan twintig mensen
op af gekomen. Mijn praatje ging volkomen de mist in maar
niemand scheen dat op te merken. Er ontstond een levendige
discussie. Op het laatst had ik zelfs een paar ideeën hoe
het verder moest. Gelukkig was ik zo slim geweest om de
vergadering 's avonds te plannen. Trouwens Aline was er niet
bij. Best een aantal leuke vrouwen hoor, maar toch minder.
De kantinebar sloot om elf uur. Ongeveer de helft van de groep
ging nog wat mee drinken in een café. Jules en Laurent, die
tot mijn verrassing ook op de bijeenkomst waren, stelden voor
om naar Le Lion d'Or te gaan, hun biljartcafé. En daar kwamen ze
met iets waar ze tijdens de vergadering in het geheel geen gewag
van hadden gemaakt: werkplaatsen, dat is eigenlijk toch ook heel
kleinschalig. Recycling van door de consumptiemaatschappij
overbodig geworden spullen. Een werkplaats annex tweedehands
winkeltje zou bovendien veel makkelijker te financieren zijn
dan een boerderijtje. Alleen een lapje grond al...


Grotere kaart weergeven

Op de tweede bijeenkomst waren er nog maar veertien mensen.
Op de derde zo'n acht of negen. Waaronder ene Agnès,
die me steeds met van die trouwe hondenogen zat aan te staren.
Steeds weer na afloop naar Le Lion d'Or. Ik mee biljarten.
Dan blijkt dat Laurent, Jules en nog een derde biljarter, Jean,
konden bridgen. Tot in het ochtendgloren bij mij thuis. Mijn
hele drankvoorraad geplunderd. Terwijl ik mijn best deed om
ecologische boeren in de omgeving te vinden en ook
volkstuincomplexen bezocht, hadden Jules en Laurent een
werkplaats gevonden. Een spotgoedkoop souterrain ergens
bij Marx Dormoy. Op de feestelijke opening moesten we Agnès
een plastic tas over het hoofd trekken omdat ze begon te
hyperventileren. Van de oorspronkelijke groep waren we nu,
mezelf incluis, nog met vijven. Jean repareerde er elektronica
en oefende er met zijn reggaeband, maar had geen zin meer in
vergaderingen en zo.


Grotere kaart weergeven

Na lang zoeken vond ik tenslotte een nauwelijks meer gebruikt
volkstuintjescomplex, nog voorbij Enghien... bij St. Prix.
Uiteindelijk gingen alleen Agnès en ik een volkstuintje
omspitten en ik zou één dag in de week in de werkplaats
komen werken. Ik geloof niet dat ik meer dan een dynamo en
een achterlichtje gemonteerd heb. Ook heb ik een keer met
de reggaeband mee geoefend. Maar dat heb ik maar laten zijn
nadat over mijn saxofoon werd geschamperd als... die toeter.
Wel was ik penningmeester geworden van de vereniging met de
omineuze naam Hamer en Sikkel, opgericht om een girorekening
te kunnen openen. Niet dat er ooit een financiële transactie
via de rekening plaatsvond. Dat deed Laurent allemaal handje
contantje.



De naam Hamer en Sikkel was verzonnen door Jules, die
ex-maoïstisch politicoloog bleek te zijn. Laurent was een
voormalig elektro-technisch tekenaar, evenals Jean.
Agnès was ziekenverzorgster geweest, ergens in Creteil.
Ze leefden allen van een uitkering. De mannen zaten met
nog enkele vrienden in een spelletjescompetitie verwikkeld.
Zowat alle denksporten, biljarten, flipperen en tot mijn
verbazing zelfs golf. Agnès had haar interne bewoning bij
het verzorgingstehuis opgezegd en logeerde nu zolang bij
Jules. Ja ja... Hoewel ik geloof dat hij net op het punt
stond iets te beginnen met zijn buurvrouw, een schilderes.
Eigenlijk leek het er meer op dat Agnès op mij verliefd
aan het worden was.



Een man met paard en wagen, met wat kisten met prei en
boerenkool achterop, zo'n eenvoudige platte wagen,
op weg naar een of andere markt. Hij vroeg ons of we
een eind mee terug wilden rijden. We hadden mest door
de grond gewerkt, al hadden we hier wat moeten schipperen,
want waren de dieren die de mest geproduceerd hadden wel
biologisch gevoederd? Biologisch dynamisch hadden we al
eerder laten vallen. De maanstand en dat soort dingen...
Zo zaten Agnès en ik dicht naast elkaar naast de voerman.
Nee, geen schitterende zonsondergang, regenboog of
bliksemflits, maar toch romantisch genoeg. Maar moest ik
hier over gaan schrijven? Niet te veel over mezelf.
Misschien moest ik me eerst maar eens op die Jules
gaan concentreren. Daar zat een verhaal achter.
Als ik nou eens voorstelde om op reis te gaan. Het was
weliswaar winter, maar een vriendin van mijn moeder was
ergens in Les Landes een kruiden- gezondheidsfarm aan het
bouwen, nou ja, laten bouwen, waarvan ze gezegd had dat ik
daar kon bivakkeren. Veel meer dan een kelderverdieping was
er nog niet, maar er was een schuurtje met strozakken,
waar je prima op kon pitten.



Ik was eigenlijk niet van plan geweest om Agnès mee te vragen,
maar zo gauw ze er van hoorde, heeft ze net zo lang op Jules
ingepraat en mij met die diep droevige ogen aangekeken,
dat ik gezwicht was. Laurent en Jean waren niet zo reislustig.
Ja, in de winter zeker... zei Laurent. Dus met z'n drieën.
Liftend natuurlijk. Het was niet al te koud. Die duivelse
Jules besluit op het allerlaatste moment toch maar met de
trein te gaan. Stond ik daar ergens bij de Porte d'Orleans.
Gerugzakt, saxkoffer in de ene hand, Agnès in de andere.
Veel te laat weggegaan want we haalden Poitiers niet eens.
In Bordeaux lagen we drie dagen in een hotelbed. We hadden
geen rekening gehouden met de feestdagen. Zo met de kerst...
oud en nieuw... dan was reizen extra problematisch. Dat
ondervond ook Jules. De eerste dag tot Bordeaux en in de
wachtkamer overnacht. De volgende dag blijven steken in
Morcenx. Van daaruit moest hij de bus nemen, maar er was
een staking. Zelfs de taxi staakte uit solidariteit.
Dus maar lopen. Een paar kilometer kon hij meerijden op
een houtvesterswagentje. Dan weer lopen... heel ver lopen.



Zo vertelde hij, toen we arriveerden na een aantal korte
liften en ook een heel eind lopen. Jules had van bouwmateriaal
een hutje gemaakt en kampeerde er al een paar dagen. Hij was
tamelijk verkleumd, want het was ondertussen gaan vriezen.
Ik had hem verteld dat hij de sleutel van het schuurtje van
de bouwvakkers kon krijgen. Maar door de feestdagen en de
vorst waren er helemaal geen bouwvakkers. Gelukkig was er een
niet bevroren put en had hij verder geleefd op sinaasappels.
We hebben de hut wat groter gemaakt zodat we er met z'n drieën
in konden. Toen de bouwvakkers kwamen opdagen, hadden
ze zo'n medelijden dat ze hun morue met ons deelden.
Aardappelen, stokvis en ei. Fiks olijfolie en peterselie
erover, een citroentje uitgeknepen. Hmm, wat was dat lekker.
Konden we eindelijk in het schuurtje. Er was een kist met wat
kookgerei en een petroleumlamp. Er waren een paar dakpannen
gelicht boven een stookplaats. We gingen meteen hout sprokkelen.



Van de bouwvakkers hadden we gehoord dat twee kilometer
verderop een huis was waar een broodwagen langs kwam.
De volgende dag gingen we daar kijken. Dat was pas
kleinschalige economie. Men verkocht er vishaakjes,
omliggende boeren ruilden er bijvoorbeeld eieren voor honing.
En men schonk er armagnac. Brood moesten we bestellen en
konden dat dan de volgende dag ophalen. Dan maar flink
armagnac drinken, waarbij we wat worst aangeboden kregen.
De dichtstbijzijnde winkel was minstens tien kilometer verder.
De bus stopte er ook en zou de volgende dag weer gaan rijden.



Dus was ik even alleen met Agnès, toen Jules de dag erop
naar Mimizan ging om een fiets te huren. Hij kwam terug
gefietst met blikjes sardines, witte bonen in tomatensaus,
komkommers en flessen wijn, zodat we onze eerste maaltijd
in het schuurtje konden koken. In de bus was hij te weten
gekomen dat er ook een boerderij in de buurt was waar je
wijn kon kopen in mandflessen van vijf liter. De paar
gelichte dakpannen waren niet genoeg om de rook van het
vuur af te voeren, zodat we na een paar dagen net gerookte
makrelen waren. Weet je trouwens hoeveel sprokkelhout je
op een dag nodig hebt? Een toilet was er natuurlijk ook niet,
dus in de bossen... gelukkig had Jules ook aan schijtpapier
gedacht. Af en toe speelde ik wat op mijn saxofoon. Agnès en
Jules gingen dan maar bij de boer verderop de mandfles wijn
ruilen. Ja, het was nog niet veel dat saxofoonspel van me...
impompé poudené poudenasca... impompé..



Een keer kwamen ze pas midden in de nacht terug.
Laveloos, geblesseerd, want in de sloot gevallen, terwijl
ik zat te wachten met mijn sardienen bonen pot. 's Nachts
ritste Agnès nog wel haar slaapzak aan de mijne, maar
overdag ging ze steeds dingen met Jules doen. Ik ging dan
maar met mijn verrekijker vogels spotten in de duinen..
Ik werd maar niet wijs uit die Jules. Dan palmde hij
iedereen zo in, dan stootte hij ze weer af. Ik dacht niet
dat hij erg op mij gesteld was. Ik begon een beetje de
kriebels van hem te krijgen. Vooral als hij met mij
in discussie ging. Een keer had ik het over de zin van
het een of ander. Zin... zei hij, is een begrip, een woord,
iets van de mensen. De wereld draaide ook perfect toen er
geen mensen waren. En zal dat ook wel blijven doen als er
geen mensen meer zijn. Dus laten we er het beste van maken.
Mijn motto is: we zien wel... Daar werd ik niet goed van.
Zo kon je elke discussie smoren.


Grotere kaart weergeven

Bij de volgende mandfles die ze gingen inruilen, kwamen
ze weer pas 's nachts terug. Hadden ze daar een visser
ontmoet die een grote inktvis ging roosteren en hen
uitgenodigd had. Zingend, gearmd kwamen ze binnen terwijl
ik al in mijn slaapzak lag. Maar toen de visser en zijn
vrouw en hun zoon ons met een tegenbezoek vereerden, ging
Jules met de fiets weg. Hij was bot... had een kater zei hij.
De zoon bleek een hotelletje te hebben in Hossegor en
nodigde ons uit een paar dagen daar te logeren. Toen we
Jules dat voorlegden, zei hij dat we dat maar moesten doen.
Hij was naar Conti-Plage geweest en had daar een paar van
de bouwvakkers gezien en afgesproken daar overmorgen te
gaan kaarten. Daarna zou hij de fiets terugbrengen en dan
moesten we maar afspreken in Bordeaux of zo. Hij had het
wel gehad in dat schuurtje en wij trouwens ook.



De relatieve luxe in Hossegor was wel welkom na al dat
primitieve gedoe. Lekker met Agnès samen in bad.
Maar toen we elkaar weer in Bordeaux ontmoetten en hij
terug naar Parijs wilde, terwijl ik Agnès voorstelde om
nog wat door Spanje te reizen, wilde ze met hem terug
naar Parijs. Dus hebben we afscheid genomen op het
station waar zij de trein naar Parijs namen en ik de bus
naar Spanje. Maar door de mist in de Pyreneeën reed de
bus een gelukkig niet al te diepe afgrond in. Zodoende
belandde ik in een ziekenhuis in San Sebastian, waar ze
me voor de zekerheid zo'n halskraag aanmaten.



Eenmaal terug in Parijs, merkte ik dat zowel zijn
buurvrouw als Agnès bij Jules logeerden. Ik mocht ook
blijven slapen. Alles heel gezellig. Maar de volgende
dag brieste hij: en nou is het genoeg... allemaal eruit!
Ik was nog niet van plan haar te vragen om bij mij in
te trekken. Toen heeft Agnès een nacht bij Laurent
gelogeerd, maar dat was zo slecht bevallen, dat ze
weer bij Jules terug mocht komen. We bleven wat in de
tuin ploeteren. En ik ging weer met hen bridgen...
dat kon ik niet laten. Ondanks die irritante
Zappa-maniertjes van Jules en Laurent... dat met
alles de draak steken.



Jean, een beetje verlegen Indo, deed daar niet
aan mee, hij was de beste bridger en biljarter.
Hij vroeg me om ook bij de biljartclub te komen.
De club berekende een soort handicap. Naarmate je
gemiddelde lager was, hoefde je ook minder caramboles
te maken. Biljarten met toeschouwers was toch wel
moeilijker dan zomaar... Er was één vrouw lid van
de club. Yvette de blonde vriendin van Jean.
Ook zij biljartte niet onverdienstelijk.
Alleen Jules bakte er niet veel van. Het was wel
gezellig daar in Le Lion d'Or. Vaak gingen we
naderhand nog bridgen. Ook moeilijker met
toeschouwers in de rug. Vooral als ze dan nog
gingen kuchen, als je een bepaalde kaart
alleen al maar aanraakte.



In het voorjaar had ik nog een reisje in petto.
Een medepassagier van de Spaanse busreis, een zekere
Bertrand uit Montpellier had me voorgesteld dat ik
in zijn woning kon verblijven, mits ik hem af en toe
opzocht in het ziekenhuis, als hij aan zijn heup
geopereerd zou worden. Die was versleten door het werk
bij een wegenbouwfirma. Werken met drilboren, asfaltzagen
en dergelijke dingen. Behalve Agnès natuurlijk, wilden
Jules, Yvette en zelfs Laurent mee. Deze keer maar met
de trein en geen saxofoon mee. Besloten Laurent en Jules
juist te gaan liften. Daar stond ik dan met Agnès en
Yvette op het Gare de Lyon. Nee, Yvette hoefde ik niet
bij de hand te nemen. Zelfbewust, feministisch maar
niet te... en freelance verslaggeefster van La Parisienne.
Bleek ik het verkeerd begrepen te hebben. Niet de woning
van Bertrand, maar de kamer. In een kleine flatwoning
woonden: de vader en moeder van Bertrand en een zus met
haar man en kinderen. Ik stelde voor om maar een hotelkamer
te nemen, maar daar wou de familie niets van weten.
Ik zei dat er nog twee onderweg waren.



Dat was geen bezwaar als we met vijven op Bertrands
kamer wilden bivakkeren. Laurent wilde meteen weer
omkeren. Ik wist het wel. Hij was geen reiziger,
een echte Parijzenaar. Dat wilde hij zelf ook wel
toegeven. Zappiaans: ik kan op een vreemde plee nou
eenmaal niet zo goed schijten. Maar ik heb hem om
weten te praten. Jules zat al teevee te kijken met
de familie en goocheltrucs te doen voor de kleinsten.
Natuurlijk zijn we Bertrand een keer of drie gaan
opzoeken, maar langer dan een dag of vijf konden we
hier toch niet blijven, vonden we. Om die mensen
een beetje terwille te zijn en om Montpellier eens
te verkennen, zaten we de hele dag in cafés,
restaurants... lagen in parken, winkelden, gingen
naar de dierentuin van Lunaret. Zelfs een keer
gaan roeien op één van de étangs. Verder was er
een reggaeconcert van de Heptones. Laurent had wat
weed-toppen gekocht van één van de bandleden,
zodat we goed in de stemming waren.



Ook terug in Parijs leek het allemaal van een leien
dakje te gaan. We vonden een boer in Marolle en Brie
die het biologisch wilde gaan proberen. En een paar
nieuwe belangstellenden. Gelukkig maar, want ik ging
er mee kappen. De drummer van Jean's reggaeband had
een erfenis gekregen en ging een honingkoekenbakkerij
beginnen in Mont de Marsan. Er was nog plaats voor
twee bewoners. Ik was er als de kippen bij.
Wie nog meer? Nee, niet Agnès... maar Yvette.
We konden nog bridgen als Jean af en toe overkwam.
Ik zat veel achter Emile's drumstel en speelde
nauwelijks nog saxofoon. Af en toe werkte ik in de
bakkerij, maar niet te veel. Emile probeerde me over
te halen mee op reis te gaan naar Kathmandu.



En hij leerde mij en Yvette horoscopen te trekken.
Jules en Laurent zijn nog een keer een feestje komen
verzieken. Ze wilden niet geloven dat we geen teevee
hadden. Toen ik wat van mijn drumspel wilde laten horen,
zei Laurent: zeg, hou eens op met dat getrommel.
Ik wist wel dat ik tegen Jules niet over Boeddha of zo
moest beginnen, maar Emile werd al snel de mond gesnoerd
met: boeddhisme, new age... m'n reet. En Laurent wist
over horoscopen: ja, en ik ben sterrenbeeld steelpannetje.
Nadat de drank op was, zeiden ze: fijn, bedankt...
tot ziens. Dus die heb ik niet meer gezien. Allicht ben
ik ook nooit meer naar de Gil Blas terug gegaan.



Het laatste wat ik uit Parijs, via Jean gehoord heb,
is dat Laurent een woonruimte voor Agnès in een gekraakt
klooster aan het verbouwen was. En Jules en Jean hadden
nog een klus gaskachels fitten bij een ex-vriendin van
Jules in Colmar. Maar Jules ging het alto-leven er
helemaal aan geven. De werkplaats zou ontmanteld worden.
Hij had alvast een BX gekocht en ging zich in de
computerwereld storten. Hij ziet maar...